Een teeltplan is een plattegrond van je moestuin. Erop staat wat je waar teelt en wanneer je zaait, plant en oogst. De winter is het moment om het te maken: de tuin ligt stil en je hebt nog alle tijd om zaden te bestellen. Met deze zes stappen plan je het nieuwe seizoen, of je nu al jaren tuiniert of net begint.
Kort gezegd doe je dit: je kijkt terug op vorig jaar en verdeelt je tuin in vakken per groentefamilie. Elke familie schuift een vak op. Daarna kies je je gewassen, teken je ze in met de juiste plantafstand en bestel je op tijd je zaden.
Wat staat er in een teeltplan?
Er staan drie dingen in: wat je verbouwt, waar het komt te staan en wanneer je zaait, plant en oogst. De plattegrond is het belangrijkste onderdeel. Daarop zie je in één keer welk vak voor welke groenten is. Het blijft wel een plan. In de tuin loopt het altijd anders, en dat is helemaal niet erg.
Heb je nog geen moestuin? Ontwerp hem dan eerst
De meeste groenten en kruiden hebben veel zon nodig. Neem daarom het zonnigste stuk van je tuin, met een waterpunt in de buurt. In droge periodes moeten je planten genoeg water krijgen, en dan wil je niet ver hoeven lopen.
Een moestuin vraagt meer aandacht dan je vooraf denkt. Begin daarom met maximaal 50 vierkante meter, bijvoorbeeld 10 bij 5 meter of 7 bij 7 meter, ook als je veel meer ruimte hebt. Van 50 vierkante meter oogst je al flink voor 2 tot 4 personen. Kleiner kan ook prima. Hoe groot je tuin wordt, hangt af van je ambities, je vrije tijd en wat je wilt telen. Leg tussen de bedden looppaden aan, zodat je overal goed bij kunt.
Stap 1: Kijk terug op het afgelopen seizoen
Je tuin van vorig jaar is je beste bron. Welke groenten deden het goed? Wat mislukte, en wat at je eigenlijk nooit op? Schrijf het op zolang je het nog weet.
Pak ook het plan van vorig jaar erbij. Daarop zie je welke familie in welk vak stond, en dat heb je nodig bij stap 3. Had je vorig jaar geen plan? Teken dan zo goed mogelijk na wat waar stond.
Stap 2: Verdeel je moestuin in vakken per groentefamilie
Verdeel je tuin in zes vakken (of meer) die ongeveer even groot zijn. Elk vak is voor één groentefamilie. De families zijn ingedeeld op groeiwijze:
- Blad- en stengelgewassen: snijbiet, spinazie, winterpostelein, sla en andijvie
- Koolgewassen: boerenkool, spitskool, palmkool en bloemkool
- Peulvruchten: doperwten, kapucijners, tuinbonen, sperziebonen, pronkbonen en snijbonen
- Aardappelen
- Wortel- en knolgewassen: peen, rode biet, uien en radijs
- Vruchtgewassen: courgette, pompoen, tomaat en paprika
Sommige bladgewassen horen bij de kolen, zoals raapsteel, rucola en bladmosterd. Die zet je in het koolvak, ook al eet je het blad. Wil je meerjarige kruiden, geef die dan een eigen vak dat niet meewisselt. Andere indelingen kunnen ook, bijvoorbeeld op bloeiwijze of met een apart vak voor de Allium-gewassen: prei, uien, knoflook en sjalotten.
Stap 3: Schuif elke familie een vak op
Dit is de stap die een teeltplan voor het nieuwe jaar anders maakt dan dat van vorig jaar. Elke familie gaat één vak verder. Stonden je kolen vorig jaar in vak 2, dan staan ze dit jaar in vak 3. De peulgroenten gaan van vak 3 naar vak 4, en zo verder. De familie uit het laatste vak begint weer in vak 1.
Zo staat dezelfde familie pas na minimaal 4 tot 6 jaar weer op dezelfde plek. Dat heet vruchtwisseling, en het is een van de fundamenten van de biologische landbouw. Waarom is het zo belangrijk? Als je elk jaar hetzelfde gewas op dezelfde plek zet, raakt de bodem uitgeput. Ook hoopt zich specifiek bodemleven op, zoals aaltjes, schimmels en bacteriën, en dat kan schadelijk zijn voor dat gewas. Met vruchtwisseling voorkom je op een eenvoudige manier grondgebonden ziekten. Dat loont, want zit zo'n ziekte eenmaal in de grond, dan kom je er moeilijk weer vanaf.
Stap 4: Kies wat je wilt telen
Nu komt het leuke deel: wat eet je graag? Begin je net, kies dan vooral makkelijke gewassen en bewaar de lastige voor later.
Makkelijke gewassen om te telen zijn sla, spinazie, snijbiet, spitskool, rucola, bladmosterd, radijs, raapsteel, tuinbonen, doperwten, kapucijners, sperziebonen, rode biet, aardappelen, peen, palmkool en boerenkool.
Lastiger zijn broccoli, groenselderij, knolselderij, spruiten, basilicum en venkel. Deze gewassen zijn gevoeliger voor een tekort aan vocht en voeding.
Gebruik ook je aantekeningen uit stap 1. Wat vorig jaar goed ging, kun je dit jaar gerust ruimer zaaien.
Stap 5: Teken alles in op schaal
Je weet nu hoe groot elk vak is en welke groenten erin komen. Nu is het passen en meten. Reken met de plantafstand van volgroeide planten, niet met de grootte van een jonge plant. De exacte plantafstand staat op het zaadzakje en bij elk gewas op onze website. Teken je de planten te dicht op elkaar, dan verdringen ze elkaar en groeien ze minder goed of slecht.
Schrijf bij elk gewas ook op wanneer je het zaait, plant en oogst. In de zaaikalender zie je per maand wat je kunt zaaien.
Stap 6: Bestel je zaden op tijd
Zorg dat je zaden in huis zijn voordat het seizoen begint. Liefhebbers zaaien in januari al tuinbonen, doperwten en kapucijners voor. Bij elke groentefamilie in stap 2 vind je via de link alle zaden van die familie.
Is je plan klaar? Pas het gerust aan
Je hoeft je niet strikt aan je plan te houden. Mislukt er iets of komt er een natte maand, dan pas je het aan. In onze nieuwsbrief krijg je het hele seizoen tips die daarbij helpen. Veel succes in je moestuin!