Zaden van eigen teelt, 100% biologisch en GMO-vrij, snelle levering

Teelttips peulvruchten

Peulvruchten

Bij de peulvruchten onderscheiden we verschillende soorten uit dezelfde familie (Leguminosae of Fabaceae), namelijk erwten (Pisum sativum), bonen (Phaseolus vulgaris), pronkbonen (Phaseolus coccineus) en tuinbonen (Vicia faba). Peulvruchten behoren tot de vlinderbloemigen. Bijzonder aan deze familie is dat ze weinig voeding nodig hebben, omdat ze in symbiose met een bodembacterie (Rhizobium) stikstof kan binden uit de lucht. De stikstof wordt vastgelegd in zogenaamde wortelknolletjes waarin de bacteriën leven. Peulvruchten onttrekken daardoor weinig voedingsstoffen aan de bodem. Dit wil niet zeggen dat ze in het geheel géén bemesting nodig hebben; juist in de beginfase kan de hoeveelheid stikstof toch kritisch zijn, omdat het vormingsprocesvan wortelknolletjes nog op gang moet komen. Een matige hoeveelheid rijpe compost voor het uitzaaien volstaat meestal. De peulvrucht is voedzaam, smakelijk, gemakkelijk te telen en een goede voorvrucht voor andere gewassen. De hoogte van de plant is afhankelijk van externe factoren en daardoor variabel. De door ons aangegeven hoogtes  zijn daarom slechts indicaties.

Voor de uitzaai de zaden iets aanprikken met een naald. Dit bevordert de opname van vocht en geeft een betere opkomst.

Erwten

Erwten zijn langedag-planten, waarvoor geldt dat een vroege uitzaai (maart/april) de beste resultaten oplevert. Zaaien in mei en later geeft onvoldoende peulzetting en problemen met meeldauw. Bij erg natte weers-omstandigheden zijn erwten gevoelig voor schimmels bij de kieming (o.a. Fusarium). Geef voor het uitzaaien een matige hoeveelheid rijpe compost. In verband met bodemschimmels wordt een vruchtwisseling van tenminste 1 op 6 aangeraden.

Van erwten eten we de zaden en soms ook de peulen die er omheen zitten. Daardoor ontstaat het onderscheid tussen doperwten, capucijners en peultjes. De peulen van doperwten en capucijners hebben een perkamentachtig vlies, waardoor ze te hard zijn om op te eten. Bij erwten en capucijners moeten daarom de zaden uit de peulen worden gedopt. De zaden worden meestal verss.

geconsumeerd, maar ook invriezen kan uitstekend (wel kort blancheren). Het is tevens mogelijk het gewas te laten afrijpen en de gedroogde zaden te gebruiken. Peultjes hebben niet zo’n harde vlies, waardoor de jonge peul volledig gegeten kan worden met de nog jonge zaden erin. De peulen zijn het zoetst, wanneer de zaden net zichtbaar zijn. In een later stadium kunnen ze ook als doperwten gegeten worden.

Bij de erwten worden de lagere variëteiten stamsoorten genoemd en de hogere rijspeulsoorten. De lagere soorten zijn over het algemeen wat vroeger dan de hogere soorten. De stamsoorten kunnen in principe zonder ondersteuning geteeld worden, maar een teelt langs (kort) gaas of met rijshout maakt het doorplukken gemakkelijker en voorkomt dat de peulen op de grond liggen. Al moet u bij de rijstypes de moeite nemen een klimconstructie te bouwen, ze geven wel meer opbrengst en zijn makkelijk te plukken. Bij de teelt langs gaas kan aan beide zijden van het gaas een rij gezaaid worden: tussen de rijen ongeveer 50 cm aanhouden en in de rij 3 à 5 cm. Laat tussen dubbele rijen 60-120 cm ruimte open. Het beste kunt u de rijen volgens de noord-zuidas aanleggen, zodat er weinig schaduw op de planten valt. Daardoor drogen ze sneller op en vermindert de kans op meeldauwaantasting. Voorzaaien kan vanaf eind januari in een koude serre of een platte bak. Zaai ze op 3 à 5 cm van elkaar en op 3 à 4 cm diep. In de loop van maart (wanneer ze ongeveer 5-8 cm zijn), kunnen de plantjes op dezelfde afstand in een geultje uitgeplant worden. Direct zaaien kan op zijn vroegst begin maart. Let erop dat de grond droog genoeg is. Bescherm de erwten tegen vogelvraat: zaai in eerste instantie diep genoeg (3 à 4 cm diep) en maak in een later stadium eventueel gebruik van netten. 
Ons aanbod erwten en capucijners zien? Klik dan hier

Bonen

Bonen zijn meer warmteminnend dan erwten en komen wat later in het seizoen. Alle boonsoorten zijn gevoelig voor nachtvorst en houden niet van natte of koude zaai- en plantomstandigheden. Verder verdragen ze geen zure grond en vragen een matige bemesting. Rijpe compost, die voor het zaaien of planten wordt ingewerkt, is de meest geschikte bemesting. U kunt het best een vruchtwisseling van minstens 1 op 7 aanhouden. Ons aanbod bonen zien? Klik dan hier

 

Bonensoort
Bij de bonen onderscheiden we de ‘gewone boon’ (Phaseolus vulgaris), de pronkboon (Phaseolus coccineus) en de tuinboon (Vicia faba). De gewone boon en de pronkboon zijn afkomstig uit Zuid-Amerika en de tuinboon behoort tot de oorspronkelijke peulvruchten van het Middellandse Zee-gebied. De gewone boon is van oorsprong een klimmend type, maar er zijn ook lage (stam)varianten ontwikkeld. Van een aantal rassen wordt de hele peul gegeten, van andere alleen de verse of droge zaden/bonen. We onderscheiden hier drie types, namelijk snijbonen, droogbonen en slabonen. Afhankelijk van hun planthoogte krijgen ze het voorvoegsel ‘stam’ of ‘stok’, waarbij de stambonen zonder ondersteuning kunnen groeien en de stokbonen altijd een structuur nodig hebben waartegen ze kunnen klimmen. De stamsoorten zijn meestal vroeger dan de hogere stoksoorten. 


 

Hulp nodig? Kies het bonenras?

1.            Kies eerst tussen een hoge of lage plant  (stok of stam)
2.            Kies dan voor het formaat boon (bv. ronde boon, dikke boon, platte boon, lange dunne boon enz.) die jouw voorkeur heeft 
3.            Kies eventueel voor een groene of gele (zoetere) boon
4.            Evt. kunt u nu nog kiezen voor argumenten als: ‘geschikt om in te vriezen’,  kleurtint van de boon, opbrengst per struik enz.

 

Hoe wilt u plukken?

Grofweg kunt u zeggen dat er lage bonen zijn en klimbonen. Lage bonen worden ook wel stamslabonen (en minder bekend polbonen of struikbonen genoemd) Deze bonen zijn verkrijgbaar als  groene, maar ook als gele boon. Om deze bonen te plukken moet u toch echt door uw knieën zakken.

Klimbonen worden ook wel stokslabonen genoemd (andere benamingen zijn spekboon, pronkboon of snijboon) Deze bonen kunt u rechtopstaand plukken. Lekker makkelijk dus.

Sperziebonen, spekbonen, pronkbonen of snijbonen

Weet u het verschil tussen sperziebonen, spekbonen en pronkbonen? Bonen kunt u grofweg indelen in twee groepen, de Phaseolus vulgaris en de Phaseolus coccineus. Hierbij hebben wij geen rekening gehouden met tuinbonen (Vicia faba)

Sperzieboon

Sperziebonen zijn de ‘gewone’ bonen uit de familiegroep Phaseolus Vulgaris. Ze worden ook wel de prinsessenboon genoemd. Oorspronkelijk waren sperziebonen alleen verkrijgbaar als klimmende boon, maar inmiddels kunt u de sperzieboon ook verkrijgen als stamvariant (de stamslaboon).

Onze (stam) sperziebonen rassen zijn:

1081 Compass, 1217 Valdor (gele boon). 1083 Faraday, 1082 Domino (vervanger van de Saxa) en 1080 Dubbele Witte zonder draad,

Onze (stok) sperziebonen rassen zijn:

1172 Cobra en 1160 Mechelse Tros

 

Spekbonen

Dit zijn bonen die klimmen, die vleziger zijn dan de sperzieboon en die steun nodig hebben. Ze hebben lange peulen en zijn rond in doorsnede. Wanneer een sperzieboon plat is, is het geen spekboon maar een snijboon.  Spekbonen kunt u ook goed gebruiken voor de teelt van droge bonen.

 Onze spekbonen zijn 1171 Neckargold (gele boon), 1170 Neckarköningin

 

Pronkbonen

De pronkboon is een klimmer, maar wel één van een andere familie dan de sperzieboon, namelijk een Phaseolus coccineus. Ze lijken veel op snijbonen, maar zijn beter bestand tegen slecht weer, ziekten en plagen. Ook zijn ze robuuster en is de oogst beter gespreid dan bij snijbonen.

Pronkbonen hebben verdikte wortels. De kiemlobben blijven bij de pronkboon onder de grond zitten. In een jong stadium kan de pronkboon gegeten worden als een snijboon. Pronkbonen hebben een forse groei en vragen daarom ruimte. Pronkbonen zijn in een jong stadium uitstekende snijbonen met een goede malsheid en smaak. In een ouder stadium wordt de schil iets ruw en vormt zich op de buik- en rugnaad een draad en bevat de peulwand een vlies dat niet gaar kookt. In dat stadium kunnen de onrijpe zaden nog wel gegeten worden. Teelt is gelijk aan de stoksnijboon.

 Onze pronkbonen rassen zijn: 1200 Emergo en 1205 Lady Di

 Snijbonen

Snijbonen zijn bonen met een grote platte peul en echte klimmers. Omdat de rassen van oudsher een scherp draadje hadden, was het noodzakelijk om de snijboon door een snijboonmachine te halen. Tegenwoordig hoeft dat niet meer. Hedendaagse rassen zijn veelal draadloos. Snijbonen zijn zeer productief.

 Onze (stam)snijbonen rassen zijn:

1215 Capitano (gele boon) en 1195 Nassau, 

Onze (stok)snijbonen rassen zijn:

1176 Vitalis, 1174 Golden gate (gele boon) en  1190 Helda

 

Stamslaboon

Wanner het weer gunstig is kan vanaf begin mei tot begin juli gezaaid worden op rijen. Zaai ze vrij diep (2-5 cm) in een geultje en leg om de 5-10 cm een zaadje, of zaai in pollen op een afstand van 45x45 cm met steeds 4 bonen bij elkaar. De oogst valt in de periode eind juli-september. Ons aanbod stamslabonen zien? Klik dan hier

Stokslaboon

Alle stokbonen hebben een fraai mechanisme van klimmen; of het nu schuin, recht of gekronkeld is. Altijd omslingerend en altijd met rechtse bochten wordt blindelings de weg naar boven  gevonden. Het materiaal  (bamboestokken, bonenstaken, touwen, etc.) dat u gebruikt als materiaal maakt niet zoveel uit, maar het geheel moet bij volle belasting wel voldoende stabiel zijn. In iedere volkstuin is wel iemand te vinden die uitleg wil geven wat nu feitelijk het “beste” systeem is. Een oude leidraad, maar nog steeds actueel, is 8 à 10 planten per m2 aanhouden. Belangrijke  voordelen van stokbonen zijn dat ze geen problemen met schimmels geven (het gewas kan goed opdrogen), ze een lange oogstperiode hebben en een hoge opbrengst geven. In de volle grond mogen de stokslabonen in de periode half mei tot half juni gezaaid worden. De oogst van de stokslabonen begint in juli en loopt tot oktober.  Ons aanbod stokslabonen zien? Klik dan hier

Stam/stoksnijbonen

Snijbonen kunnen vanaf half mei tot juli gezaaid worden. Zaai de stamsnijbonen op rijen, vrij diep (2-5 cm) in een geultje en leg om de 5-10 cm een zaadje. Of zaai ze in pollen op een afstand van 45x45 cm met steeds 4 bonen bij elkaar. Zaai de stoksnijbonen met 4-5 bonen per stok, op een afstand van 75x75 cm. Snijbonen zijn zeer productief. De oogst begint in juli en loopt tot oktober. Pluk ze vroeg genoeg, als ze nog lekker mals zijn. Pluk ze ook regelmatig door (2 x per week) en verwijder te dikke bonen om de groei er in te houden. Wilt u ons aanbod snijbonen zien? Klik dan hier

Tuinboon

Met de tuinboon duikt u ver in de Europese geschiedenis. Voordat het Amerikaanse Phaseolus-geslacht in onze contreien verzeild raakte (met o.a. de witte bonen, bruine bonen en sperziebonen) was in Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten alleen de tuinboon bekend. Er werden ook andere peulvruchten gegeten, zoals erwten, linzen en kikkererwten, maar die 
werden geen bonen genoemd. Van tuinbonen zijn nog heerlijke recepten vanuit de Romeinse tijd te  vinden, zoals Tuinbonen à la Vitellius. Ons aanbod tuinbonen zien? Klik dan hier

 

Tuinbonen eten?

In verschillende groeistadia kunnen verschillende delen van de tuinboon gegeten worden. De culinaire mogelijkheden zijn divers. Zowel de jonge bladscheuten (rauw of bereidt als spinazie), De jonge peulen (wanneer de zaden nog niet rijp zijn), de verse zaden als eventueel de uitgerijpte, droge zaden kunnen worden gebruikt. Tuinbonen zijn in het bijzonder een smakelijke  culinaire combinatie met dille. Deze combinatie is bovendien effectief als mengteelt om de zwarte bonenluis tegen te gaan. Tevens, het zal u niet verbazen, is bonenkruid bekend als een geschikt kruid voor tuinbonen. Tuinbonen hebben een goede koudetolerantie. Ter plaatse zaaien kan vanaf begin maart tot half april. Extra vervroeging is mogelijk door in februari voor te zaaien. Houd bij zaaien of uitplanten minimaal een afstand van 60x20 cm aan. Dichter zaaien levert geen extra peulopbrengst op. Let erop dat de oogstperiode zeer kort is! Idealiter oogst u alles in 1 week. Door verschillende zaaidata te hanteren, wordt spreiding van de oogst verkregen. Oogst in juli, de voorgezaaide bonen in juni.  

Verleng het seizoen

Er zijn reeds twee De Bolster-tuinboon rassen verkrijgbaar: Eleonora en Ratio. U kunt ze samen zaaien en hierdoor een verlengd oogstseizoen hebben, omdat Ratio ongeveer 10 dagen vroeger rijp is dan Eleonora.

 

Zaaien in het algemeen

Over het algemeen gelden voor de bonen uit het Phaseolus-geslacht (gewone boon en pronkboon) de volgende teelt-aanwijzingen: zaai de stambonen vrij diep (2-5 cm) in een geultje en leg om de 5-10 cm een zaadje. Hanteer een rij afstand van 45 à 50 cm. Het zaaien in pollen op een afstand van 45x45 cm met steeds 4 bonen bij elkaar functioneert ook goed. Ook de stokbonen mogen vrij diep gezaaid worden (2-5 cm). Aangezien stokbonen snelle groeiers zijn, moeten ze regelmatig geplukt worden. Zo dragen ze ook langer door. Plaats bij de stokbonen steunmateriaal. Hier is het aantal planten per vierkante meter belangrijk. De planten mogen geen kluwen gaan vormen, want dan krijgen schimmels veel kans. Een oude leidraad, 
maar nog steeds actueel, is 8 à 10 planten per m2 aanhouden. Twee keer zaaien (half mei en eind juni) geeft een goede oogstspreiding. Voorzaaien onder glas in potten kan van half  april tot half mei. Vanaf eind april kunt u ze in een platte bak zaaien. In de volle grond kunnen de stokslabonen in de periode half mei tot half juni gezaaid worden en de stamslabonen in de periode begin mei tot begin juli. De grond moet minimaal 10-12° C zijn en niet te vochtig. De oogst van de stokslabonen begint in juli en loopt tot oktober. Stokbonen kunnen langer door geplukt worden dan stambonen, maar u kunt de oogst van de stambonen spreiden door ze 2 tot 3 keer in kleinere hoeveelheden te zaaien. De oogst begint dan rond eind juli en loopt tot oktober.

Zaaitijd van de pronkboon is van half mei tot half juni. Vanwege de forse groei slechts 2 à 3 zaden per stok zaaien  en een ruime afstand (80x80 cm) tussen stokken hanteren. Er zijn witbloeiende soorten met witte zaden en roodbloeiende soorten met rode zaden. U kunt de pronkbonenoogsten van augustus tot oktober. Pluk ze regelmatig en op tijd. Als de peulen te dik geworden zijn, kunt u nog wel de onrijpe zaden opeten.

Bemesting

Bonen krijgen graag compost en beperkte bemesting.